The Work voorbeeld Boos op Klaas

Hoe vul je een ‘oordeel over je naaste’ werkblad in?

Een vraag die ik vaak krijg, is hoe je de gedachten formuleert om The Work op los te laten. Om niet plompverloren in het midden te beginnen, begin ik bij het begin. Hieronder geef ik een voorbeeld van een The Work-sessie aan de hand van een ingevuld Oordeel-over-je-naaste-werkblad. Pak er een werkblad bij zodat je het gemakkelijk kunt volgen. Nog niet gedownload? Het kan hier.

Het is eigenlijk heel eenvoudig. Vul gewoon het werkblad in. Schrijf op wat je dwars zit, precies zoals het is. Je hoeft daar niet moeilijk over te doen. Je hoeft jezelf geen geweld aan te doen door positief te denken terwijl je denken niets positiefs in een situatie kan vinden. Je hoeft je ook geen zorgen te maken over de gedachte dat je eigenlijk niet moet oordelen over anderen. Met The Work mag dat. Je mag je helemaal laten gaan. Sterker nog, hoe kinderachtiger je je gedraagt, hoe beter. Ga niet relativeren. Door te relativeren, onderdruk je vaak je emoties en dat kost energie en kun je ze ook niet onderzoeken.

Ik vond dat oordelen moeilijk, want ik had mezelf jarenlang geconditioneerd om niet te oordelen, want als je met één vinger naar de ander wijst, wijzen er drie terug. Bij mij ging het ongeveer zo: Ik ben boos op mijn dochter vanwege de hoge telefoonrekening. Ik ben boos, dat is mijn zaak, niet haar zaak, ik moet dit in mezelf oplossen en niet tegen haar gaan lopen schreeuwen.

Op mijn werkblad mag ik “schreeuwen”. Het kostte me in het begin veel moeite, maar nu niet meer. We hebben oordelen over gebeurtenissen, over mensen, over dingen. Je kunt ze onderdrukken, maar daar heb je niets aan, dat kost alleen maar energie. Wanneer je ze erop een werkblad uitgooit, en ze onderzoekt met de vier vragen, los je de stress op en krijg je al die energie weer terug.

Het is belangrijk om een werkblad gewoon eerlijk in te vullen en dan alle stukjes te gaan onderzoeken. Zoals het is met veel dingen die makkelijk zijn, is de beste methode om het te leren het gewoon te doen, je weerstanden te laten voor wat ze zijn en het nog steeds gewoon te doen en te ervaren hoe het werkt. Zoals ik al heb aangegeven, is het gewoon geen goed idee om te denken dat je die vier vragen wel in je hoofd kunt doen. Schrijf alles op. Je denken kan je vliegensvlug voor de gek houden en dat ondervang je door alles op te schrijven.

De eerste valkuil voor veel mensen die met The Work beginnen is het idee dat de grootste stress niets te maken heeft met iemand anders maar met hoe ze over zichzelf denken. Maar het is echt het beste om te beginnen met je oordelen over anderen. En wanneer je weet hoe dat werkt, dan pas ga je verder met de stressvolle gedachten over jezelf.

The Work voorbeeld aan de hand van een werkblad

We gaan nu The Work doen op een ingevuld ‘Oordeel over je naaste’ werkblad. Houd je eigen, ingevulde werkblad bij de hand. Dat maakt het makkelijker.

Bij 1 schreef mijn proefpersoon:
“Ik ben boos op Klaas omdat hij altijd van alles van mij wil en dan verwacht dat ik voor hem klaar sta maar als ik iets aan hem vraag, geeft hij niet thuis, heeft hij geen tijd, is er altijd iets wat dringender is. Hij heeft geld van mij geleend en zou dat 3 maanden geleden terugbetalen, maar hij heeft dat nog niet gedaan. Een hele hoop zielige verhalen en nu zei hij onlangs dat hij zo lekker uit eten was geweest in een 1 sterren restaurant. Ja, ja van mijn geld!”

Ik kan nu The Work hierop loslaten door te beginnen met vraag 1: Is dit waar? Maar dat werkt niet, want het is een veel te lang verhaal. Dus hak ik de zinnen in hapklare brokjes:

  • Klaas verwacht dat ik altijd voor hem klaar sta
  • Wanneer ik iets aan Klaas vraag geeft hij niet thuis
  • Klaas heeft tegen mij gelogen dat hij het geld niet heeft om mij terug te betalen.

Je ziet dat ik het stukje over het geleende geld heb samengevat in waar het werkelijk om draait. Want de stress zit hem in het feit dat Klaas blijkbaar gelogen heeft.

Als begeleider doe je niks anders dan de vragen stellen en te wachten op de antwoorden. Hiervoor is ook een werkblad, dat je hier kunt downloaden.

Om de kracht van The Work te ervaren zou je nu voor jezelf een situatie in gedachte kunnen nemen waar jij iemand kent waarvan je nu of in het verleden dezelfde gedachte (soortgelijke gedachte over hebt) en gewoon mee doen. Je kunt je antwoorden iedere keer opschrijven en dan pas verder lezen. Dit is wat Katie aanraadt om te doen, ook wanneer je iemand begeleidt. Werk gewoon op een zelfde soort situatie bij jezelf.

Ik neem de eerste zin en stel de eerste vraag (is dat waar?):
Vraag 1: Klaas verwacht dat je altijd voor hem klaar staat. Is dat waar?
Antwoord: Ja.

Vraag 2: Klaas verwacht dat je altijd voor hem klaar staat. Kun je absoluut weten dat dit waar is?
Antwoord: Ja.

Vraag 3: Hoe reageer je wanneer je de gedachte hebt dat Klaas verwacht dat jij altijd voor hem klaar staat?
Op dit punt aangeland, is het goed om je ogen even te sluiten en te zien en te voelen hoe je reageert.
Mijn proefpersoon zei: Ik voel me geprikkeld, geïrriteerd en ik voel spanning in mijn nek en schouders. Zodra hij iets vraagt, ga ik in verzet.

Vraag 4: Wie zou je zijn zonder de gedachte dat Klaas verwacht dat je altijd voor hem klaar staat?
Antwoord: Dan zou ik beter in staat zijn naar zijn verzoeken te luisteren, zou ik minder stress hebben en zou ik niet zodra ik hem zie al denken “wat moet hij nu weer?”

Omkeren
En dan komt het “leuke” gedeelte. Het omkeren van de oorspronkelijke gedachte. Meestal zijn er zeker drie mogelijkheden. Namelijk de omkering in het tegenovergestelde, de omkering naar de ander toe en de omkering naar jezelf toe.

Bij een makkelijke zin zoals Piet luistert naar mij krijg je de volgende omkeringen.
In het tegenovergestelde: Piet luistert wel naar mij
Naar de ander (Piet) toe: Ik luister niet naar Piet
Naar mezelf toe: Ik luister niet naar mezelf.

De zin “Klaas verwacht dat ik altijd voor hem klaar sta” hebben we als volgt omgekeerd:

Omkering 1, in het tegenovergestelde:

Variant a: Klaas verwacht niet dat ik altijd voor hem klaar sta.
Variant b: Klaas verwacht dat ik niet voor hem klaar sta.

In deze twee omkeringen zit een subtiel verschil. Mijn proefpersoon merkte op: Omdat ik onmiddellijk in verzet ga, nog voor Klaas binnen is, zeg maar, en Klaas weet dat natuurlijk, weet hij ook dat om iets van mij gedaan te krijgen hij wel moet gaan ‘zeuren’. Dus het is niet zo dat ik soms wel en soms niet voor hem klaar sta, zoals variant a suggereert. Ik sta gewoon niet voor hem klaar. Dus volgens mijn proefpersoon was de uitspraak ‘Klaas verwacht dat ik niet voor hem klaar sta‘, heel duidelijk ‘waar’ en zo ook ‘Ik sta niet klaar voor Klaas’. Ze kon daar veel voorbeelden van geven.

Wanneer je een omkering hebt dan is het zaak om 3 voorbeelden te vinden die aantonen dat de omkering net zo waar is of meer waar is dan de oorspronkelijke gedachte. En dit kan wel eens moeilijk zijn. Hoe moeilijker hoe beter. Want wanneer je die voorbeelden niet kunt vinden, zit je echt vast in de oorspronkelijke gedachte. En heb je de voorbeelden eenmaal gevonden, dan is de bevrijding des te groter. Dus geef niet op. Vraag hulp als je er zelf niet uitkomt.

Omkering 2 naar de ander toe. “Klaas verwacht dat ik altijd voor hem klaar sta,” wordt: “Ik verwacht dat Klaas altijd voor mij klaar staat.” Geef 3 voorbeelden dat dit waar is.
Antwoord:
Ik verwachtte dat Klaas mij helpt bij het snoeien.
Ik verwachtte dat Klaas mijn lamp kwam repareren.
Ik verwachtte dat Klaas met mij mee zou gaan naar het tuincentrum. Hierbij merkte mijn proefpersoon op dat Klaas dat ook allemaal gedaan heeft.

Omkering 3 naar jezelf toe: Ik verwacht dat ik voor mij klaar sta.
Antwoord: Nou dat is een mooie, je zou denken dat ik in ieder geval voor mijzelf klaar zou staan. Mooi niet dus. Ik kan mezelf geweldig in de steek laten. Ik ben lid van de sportschool, maar ik ga zelden. Ik kook niet iedere dag. Eet bijna nooit fruit. Ik ga vaak TV kijken in plaats van de dingen doen die ik me had voorgenomen. We hebben hier in feite de zin gebruikt: “Ik sta niet voor mezelf klaar”. Want, zo bleek, we verwachten niet eens dat we voor ons zelf klaar staan. We weten dat we dat niet doen.

Het volgende zin op het werkblad is: “Wanneer ik iets aan Klaas vraag, geeft hij niet thuis”. Deze schrappen we, want die is bij omkering 2 al niet waar gebleken. (Klaas kwam snoeien, lamp repareren en ging mee naar het tuincentrum.) Mijn proefpersoon had hier geen stress meer over.

We gaan door naar zin 3:
vraag 1: Klaas heeft tegen mij gelogen dat hij het geld niet heeft om mij terug te betalen. Is dit waar? Ja
Vraag 2: Kun je absoluut weten dat dit waar is? Ja, want hij kon toch ook uit eten gaan. En nog duur ook.
Vraag 3: Hoe reageer je wanneer je de gedachte hebt dat Klaas tegen je gelogen heeft dat hij het geld niet heeft om je terug te betalen? (Doe even je ogen dicht en voel.) Antwoord: Dan ben ik woedend! Razernij is nog een beter woord. Ik heb er een hekel aan als mensen tegen mij liegen. Ik kan niet tegen liegen.

Wanneer ik of iemand anders zo’n scherpe reactie heeft op iets, bijvoorbeeld ‘liegende mensen’ dan schrijf ik dat op voor later onderzoek.

Het is belangrijk om bij deze vraag de zaak goed te voelen (met je ogen dicht) en omdat ik niet weet of woede/razernij het enige is, vraag ik mijn proefpersoon of er nog meer is op de vraag: Hoe reageer je wanneer je de gedachte hebt dat Klaas tegen je gelogen heeft dat hij het geld niet heeft om je terug te betalen? Is er nog een andere reactie behalve razernij? Antwoord: Ja, ik wordt er ook verdrietig van.

Geef jezelf of iemand anders altijd ruimschoots de tijd om de reactie waar te nemen, mij levert dit punt altijd veel op, omdat ik vaak zie, hoe ik mij van iemand afkeer door aan een bepaalde gedachte vast te houden en dat komt een relatie niet ten goede.

Vraag 4: Wie zou je zijn zonder de gedachte dat Klaas tegen je gelogen heeft over het geld? Antwoord: Dan zou ik me rustiger voelen wanneer ik Klaas zie. Nu ben ik echt boos op hem. Ik voel me verraden.

Let op: We zien in dit voorbeeld ook heel goed, hoe sterk die gevoelens zijn. Meestal onderdrukken we dit soort gevoelens door ze of helemaal weg te wuiven of in ieder geval te verzachten. Doordat die gevoelens nu sterk naar voren komen, kun je ze ook echt onderzoeken en loslaten.

Omkeringen

Omkering 1: Klaas heeft niet tegen mij gelogen over het geld.

Nu hebben we 3 voorbeelden nodig dat dit net zo waar is of nog meer waar is dan de oorspronkelijke gedachte dat Klaas wel gelogen heeft. Dat is moeilijk want Klaas zijn financiën zijn zijn zaak en daar weten wij niets vanaf. Mijn proefpersoon heeft Klaas ook niet gevraagd hoe het mogelijk was dat hij zo duur uit eten kon gaan wanneer hij geen geld heeft. Dus deze kunnen we niet doen.

Omkering 2 naar de ander toe is: Ik heb gelogen tegen Klaas over het geld.
Dat bleek waar te zijn, want ze kon het eigenlijk niet missen en ze heeft gezegd dat ze dat wel kon.

Daaruit blijkt ook dat de omkering 3 naar haarzelf toe – Ik heb gelogen tegen mezelf over het geld – ook waar is.

We hebben vervolgens ‘het liegen’ onderzocht en dat was lastig. Want dit is zo’n onderwerp waarop het moeilijk was om de juiste zin te vinden om op te werken. We hebben een aantal zinnen onderzocht en die bleken niet de juiste te zijn, want er zat geen stress op en dat is wat je voelt bij vraag 3.
Bijvoorbeeld de zin “Ik heb een hekel aan mensen die liegen” werkte niet.
Ik heb een hekel aan mensen die liegen. Is dat waar? Ja
Kun je dat absoluut zeker weten? Ja
Hoe reageer je wanneer je de gedachte hebt Ik heb een hekel aan mensen die liegen? Antwoord: Dat is moeilijk want ik heb niet de gedachte dat ik een hekel heb aan mensen die liegen. Ik heb er een hekel aan om er achter te komen dat iemand tegen mij gelogen heeft. En eens gelogen, altijd een leugenaar.

We onderzoeken: Eens gelogen, altijd een leugenaar. Is dat waar. Nou nee, misschien niet, maar ik ben dan wel op mijn hoede voor nog meer leugens.
Kun je absoluut zeker weten dat iemand die eens heeft gelogen altijd een leugenaar is? Uh… nee, want ik heb ook gelogen (zie voorbeeld boven) en ik lieg niet altijd.
Hoe reageer je wanneer je de gedachte hebt “eens gelogen, altijd een leugenaar?” Dan is het alsof de grond onder mijn voeten wegzakt. Dan val ik in een diep zwart gat. Dan is mijn vertrouwen weg. Dan heb ik geen houvast meer.

Wie zou je zijn zonder de gedachte “eens gelogen, altijd een leugenaar?” Dat is moeilijk, dat kan ik me niet voorstellen.
Ik: Probeer het toch maar. Doe je ogen dicht en stel je voor dat je die gedachte niet kunt hebben. Antwoord: Dat geeft een stuk rust, denk ik.

We gaan het omkeren: Eens gelogen, niet altijd een leugenaar. Drie voorbeelden. Antwoord: ik lieg echt niet altijd. En andere mensen liegen ook niet altijd. Maar het probleem is dat je dan niet weet of iemand liegt of niet.

Ik denk dat we hier tegen het probleem aanlopen dat mensen niet zouden moeten liegen. En mensen doen dat wel. Dus dit is een voorbeeld van een kat willen laten blaffen.

Mijn proefpersoon is tot het inzicht gekomen dat haar grootste boosheid eigenlijk kwam door het feit dat ze het geld zelf niet kon missen. En wanneer ze gelijk tegen Klaas gezegd zou hebben dat ze het echt maar eventjes kon missen, had hij misschien van iemand anders geleend of het allang terugbetaald. De rest van de boosheid dat zij dacht dat Klaas verwachtte dat zij altijd voor hem klaar zou staan was in feite een rechtvaardiging voor die boosheid over het “liegen”. En wat ook bleek is dat we niet weten of hij zelf dat etentje betaald heeft of dat gekregen heeft. Bij nader inzien dus een hoop boosheid om niets eigenlijk, terwijl al die negatieve energie dus enorm slecht is voor je eigen gestel en welzijn. En door gewoon The Work te doen, raak je bergen stress kwijt en kun je situaties veel helderder zien en wanneer je situaties helderder ziet, dient zich ook vaak een oplossing aan.

En dan gaan we nu verder met punt 2 van het werkblad.
2. Wat wil je dat er aan hem/haar verandert? Wat wil je dat hij/zij doet?
Klaas moet zijn afspraken nakomen en niet zo egoïstisch zijn.
De hapklare zinsdelen worden bijvoorbeeld:
Klaas moet zijn afspraken nakomen of Klaas komt zijn afspraken niet na.
Klaas is egoïstisch.

Op de zin Klaas moet zijn afspraken nakomen laat je de vier vragen los:
1. Is dat waar?
2. Kun je absoluut weten dat dat waar is?
3. Hoe reageer je wanneer je die gedachte hebt? (en vergeet niet even de ogen te sluiten en te zien en te voelen hoe je reageert onder invloed van die gedachte)
4. Wie zou je zijn zonder die gedachte.

De omkeringen:
1: Klaas hoeft zijn afspraken niet na te komen en dan 3 voorbeelden dat deze uitspraak net zo waar is of nog meer waar is dan de oorspronkelijke gedachte (Klaas moet zijn afspraken nakomen.)
2. Ik kom mijn afspraken met Klaas niet na.  Geef 3 voorbeelden.
3. Ik kom de afspraken met mezelf niet na. En geef 3 voorbeelden.

En het zelfde met Klaas is egoïstisch. De omkeringen zijn:
Klaas is niet egoïstisch. Klaas is altruïstisch
Ik ben egoïstisch. En vergeet de voorbeelden niet.

3. Wat zou hij/zij wel of niet moeten doen, zijn, denken of voelen. Welk advies zou je hem/haar willen geven?
Klaas moet niet denken dat hij me zo kan behandelen. Hij moet zijn vrienden met respect behandelen anders houdt hij geen vrienden over!

Klaas moet niet denken dat hij me zo kan behandelen. Is dat waar?
Eh, nee, want eigenlijk heeft Klaas me niet slecht behandeld. Ik heb mezelf slecht behandeld en Klaas onterechte verwijten gemaakt. Ik moet Klaas niet zo behandelen want ik zet daarmee de vriendschap met Klaas op het spel.

Die vond ik wel ‘klaar’.

4. Wat moet hij/zij doen opdat jij gelukkig kunt zijn?
Ik heb nodig dat ??????

Mijn proefpersoon kon hier niets bedenken. Dat kan ook gebeuren. Zij heeft niets nodig van Klaas om gelukkig te zijn. Maar mocht je op je eigen werkblad iets hebben staan dan neem je ieder stukje en laat daar The Work op los. Zij had hier op kunnen schrijven: Ik heb nodig dat ik op Klaas kan rekenen, dat hij eerlijk tegen me is, dat hij me met respect behandelt.

Dan zou je de zinnen hebben: Ik heb nodig dat ik op Klaas kan rekenen. Is dat waar? etc
Omkeringen: Ik heb niet nodig dat ik op Klaas kan rekenen. Ik heb nodig dat ik op mezelf kan rekenen. (vergeet de voorbeelden niet).
En misschien: Klaas heeft het nodig dat hij op mij kan rekenen. Maar die laatste werkt niet, want je weet niet of Klaas dat nodig heeft.

5. Wat vind je van hem/haar?
Ik vind Klaas een grote egoïst. En een manipulator.

Op Klaas, de egoïst hebben we The Work al gedaan. Klaas is een manipulator is een mooie zin om The Work op te doen.
Vier vragen en de omkeringen:
Klaas is geen manipulator en 3 voorbeelden.
Ik ben een manipulator en 3 voorbeelden dat je wel eens manipulerend te werk bent gegaan. En niet direct roepen dat je dat nooit doet!

Punt 6 op het werkblad: Wat wil je niet meer met die persoon, dat ding of in die situatie ervaren?
Ik wil nooit meer door Klaas belazerd worden.
Ik weiger om door Klaas belazerd te worden.

De omkeringen voor punt 6 zijn:
Ik kijk er naar uit om …
Ik ben bereid om …

We hebben gezien dat het belazerd worden door Klaas reuze meeviel.
De omkeringen zijn hier: Ik kijk er naar uit om door Klaas belazerd te worden.
Ik ben bereid om door Klaas belazerd te worden.

Wanneer je deze twee omkeringen niet kunt omarmen dan ben je gewoon nog niet klaar met The Work en dan zijn er nog gedachten die je dwars zitten. Je kunt die dan weer onderzoeken met The Work. In dit voorbeeld is dat niet zo, want mijn proefpersoon ziet heel goed hoe dit voorval haar heeft geholpen te zien hoe zij zichzelf ‘belazerd’ en omdat zij zich daar nu meer bewust van is, kan ze daar wat mee. En ze had natuurlijk gewoon direct aan Klaas kunnen vragen hoe het kwam dat hij in een sterren restaurant kon eten, terwijl hij haar nog geld schuldig is. Dat is eigenlijk een hele normale vraag.

 

 

Het belang van “omdat” op het Oordeel-over-je-naaste-werkblad

Vraag 1: Ik ben ……….(vul in boos, in de war, verdrietig etc)  op/door……….(vul in naam) omdat………..

Omdat is belangrijk want daar komt naar voren wat je denkt dat niet waar is. Ik heb dit gisteren (lang geleden dus, toen ik bovenstaande opschreef) nog mogen ervaren. Hier in de buurt hebben we van die jochies die in november al beginnen met het afsteken van rotjes. Het zijn echt heel harde knallen. Ik erger me hier gek aan. Ik word er zo boos van dat ik soms naar buitenvlieg om ze eens even stevig toe te spreken. Ze zijn dan nergens te bekennen. Heel irritant. Ik heb hier nog nooit The Work op gedaan omdat ik dacht dat dat niet zou werken, want die knallen zijn echt heel irritant. Ik zie dat als realiteit, als feit. Gisteren, als experiment, toch maar The Work gedaan. En dat was interessant.

Dit staat er op mijn werkblad:

“Ik ben boos op die jochies die nu al vuurwerk afsteken omdat ik me gek schrik, Tommy (mijn kat) er angstig van wordt.”

Ik schrik me gek is dat waar? Nee.
Mijn voornaamste angst is dat Tommy geraakt zou worden. Dit is nog nooit gebeurd. Tommy gaat gewoon, net als anders naar buiten wanneer hij daarvoor kiest. Hij komt niet gestrest binnen. Er is niets dat er op wijst in Tommy’s gedrag dat hij er last van heeft. Nou dat was een hele geruststelling. Ik was me duidelijk met Tommy’s zaak aan het bemoeien en dat blijkt helemaal niet nodig te zijn.

En ik was echt boos! In plaats van lekker te werken, zat ik gewoon helemaal gespannen en boos in de houding, om zodra de eerste knal kwam, naar buiten te vliegen om die jongens de les te lezen. Ik deed mezelf een hoop geweld aan, helemaal voor niks.

Conclusie

Zo werkt The Work. Je vult een werkblad in, hakt lange zinnen in stukjes en gaat die één voor één onderzoeken met de vier vragen. Dan doe je de omkeringen en geeft iedere keer 3 voorbeelden. En stress verdwijnt als sneeuw voor de zon. Je kunt dit dus doen op ‘alle stress’. Ook op stress waarvan je denkt dat die logisch is, of ‘waar’ is.

Wanneer het probleem niet met een ander te maken heeft, maar puur met jezelf, zoals bijvoorbeeld mijn voorbeeld dat ik geen energie zou hebben om dingen af te maken. Dan kun je nog steeds het werkblad gebruiken en opschrijven: Ik ben boos op mezelf omdat ik nooit dingen afmaak en daardoor loop ik kansen mis enz. Misschien ben je niet boos, maar verdrietig, of teleurgesteld. Het gaat niet om politiek/sociaal correct. Het gaat erom wat jij voelt! Schrijf dat op, laat er de vier vragen op los en keer het om. Dat is alles.

Lees het boek “Vier Vragen Die je Leven Veranderen” voor meer info. Hoe vaker je op stressvolle gedachten een werkblad invult, hoe gemakkelijker het je afgaat.

Lukt het allemaal niet, kom je er niet uit, neem gerust contact met mij op.

Item toegevoegd aan winkelwagen.
0 items - 0,00